Wilsum in vrogger tied.

Matten (russchen) industrie.

In de 18de eeuw werden er al matten gevlochten in Wilsum, maar vooral in tweede helft van de 19de eeuw en begin 20ste eeuw werd het mattenvlechten veelvuldig beoefend in Wilsum en omstreken.
Door de lage verdiensten werd er hoofdzakelijk gevlochten om de winterdag door te komen, het was zeker geen teken van rijkdom, hoewel zelfs boeren hun zonen soms het mattenvlechten aan lieten leren om in tijden van tegenspoed toch een bron van inkomsten te hebben. Rond 1900 bedroeg het aantal gezinnen waarin de winter niet gemat werd uit niet meer dan vijf of zes gezinnen.

De russenmatten werden hoofdzakelijk gemaakt in Wilsum, IJsselmuiden en ’s Heerenbroek, terwijl de biezenmatten in Grafhorst en Genemuiden werden gemaakt. De biezen groeiden op plaatsen, die voor landbouw of veeteelt niet geschikt waren. De russen groeiden op moerassige klei en veengronden, kleibodem was over het algemeen beter geschikt voor de groei van de russen dan de veenbodem.
De ‘Russenkampen’, zo werden de plekken genoemd waar de russen groeiden, kon men vinden in de omsterken van Kampen en Zwolle, in de provincie Groningen, in het zuid westen van Drenthe en Almelo en omstreken. De russen uit Kampen en Zwolle en omstreken, de zogenaamde ‘inlandse russen’, waren van betere kwaliteit dan de andere.
De Wilsummers sneden oorspronkelijk in de Broeklanden van Windesheim, al snel zagen de boeren uit Windesheim dat er een aardige bijverdienste zat in de teelt van russen, grote percelen werden in kleine stukjes verdeelt en later bij opbod verkocht, deze kleine perceeltjes brachten soms wel f 40, — tot f 50, — op, in een tijd waar het arbeidsloon 4 a 6 gulden bedroeg.

Als de kopjes van de rus gingen hangen (de ‘Angels’ genaamd), dan was de tijd van snijden aangebroken, meestal in de maand juli, ’s morgens in alle vroegte, vaak rond 4 uur, ging men in een stoet van boerenwagens richting Zwolle, bij Frankhuis werd meestal gestopt om de paarden de gelegenheid te geven uit te rusten, terwijl de mannen het café binnengingen om er de meegebrachte boterhammen te nuttigen, op de plaats van bestemming begon men met het snijden van de russen, in één week konden twee volwassenen samen 200 a 300 bossen snijden, na het snijden werden het gras en de witte (dode) russen ertussenuit gehaald, een werkje dat meestal door de kinderen werd gedaan, per dag kon een kind 5 a 7 bossen schoonmaken.
Tegen de avond ging het weer richting Wilsum, en kwam men laat in de avond thuis, de wagen werd gelost en de volgende dag ging men weer richting Windesheim.
Dit ging zo door tot 10 augustus, de datum dat contractueel de russen gesneden moesten zijn, sneed men ze later, dan had men het volgende jaar mindere kwaliteit.
De russen werden in het algemeen op de zolder opgehangen om te drogen, waren de russen droog dan kwam het zaden, dat wil zeggen het verwijderen van het zaad.

Tot begin 1900 was het in Wilsum gebruikelijk om een ‘Russen zaderij’ te houden, de matter nodigde de jeugd uit het dorp uit om te helpen met het zaden, hij trakteerde dan op pap en koffie met koek, de jongelui zorgden zelf voor de jenever.
Eind 1882 werd er door Harm Bredewold ook een ‘russen zaderij’gehouden, Jacob Koning (18 jaar) die bij de buurman van Harm Bredewolt, Harm Visscher in de Nieuwstad werkte nodigde hij niet uit, wat Jacob Koning behoorlijk dwars zat, hij nam hierop wraak door op een zondag avond een jurkje van de buitenmuur te trekken, kapot te scheuren en in een sloot te gooien, waarna hij de deur en enkele toppen met russen, besmeurde met modder.
Jacob Haverkamp, dienstbode bij Jan Pap, die hiervan getuige was, verklaarde tegenover de veldwachter “dat Jacob Koning hem verklaard had, dit te doen omdat hij op Bredewolt verbolgen was, wijl deze hem niet op het russchenzaden genoodigd had”.
Waren de russen gezaad dan moesten ze een halve dag in de zon gedroogd, en werden daarna volledig gedroogd boven de oven van de bakker, waarna ze weer op zolder werden opgeborgen.
Om de kosten van het drogen bij de bakker te besparen werden de russen vaak op een wijze gedroogd dat verboden was, er werd door de veldwachter regelmatig gecontroleerd en een proces verbaal opgemaakt tegen diegenen die de wet overtraden.
Enkele proces verbalen verhalen hoe het eraan toeging met het illegaal drogen.
Op twaalf september 1882 was iemand bezig met het drogen van russchen digt om een heete kagchel, zijnde honderd en twintig top welke ruscchen bij het aanvoellen door en door heet waren van en op minder dan 0,3 meter afstand van de kagchel verwijderd waren.

Dat deze illegale drogerijen behoorlijk brand gevaarlijk waren hoeft geen betoog, maar het optreden van de plicht bewuste veldwachters viel niet altijd goed bij de bevolking
In 1883 had, veldwachter Jannes van Essen, (die op 1 september 1883 vertrok uit Wilsum), toen hij met een boodschap van de burgemeester naar een woning op Uiterwijk ging de volgende woorden wisseling; Toen ik in de nabijheid van zijn woning gekomen zag dat genoemde persoon bezig was met zijn koe te melken deed ik hem aldaar de vraag waarop ik antwoord voor de burgemeester terug moest hebben, doch in plaats van mij een bevoegd antwoord terug te geven zeide hij daar hebt gij niets mee noodig gij zijt een groote mijnheer maar gij zijt ( nu volgde er een vloek) maar een arm jager, gij mag u wel schamen dat gij (vier Wilsummers ) onregtvaardigd hebt aangehaald met het russchen drogen dat zij daarvoor nog om naar Zwolle moesten.
Op 12 oktober 1883 maakte een Wilsummer het wel erg bont, de veldwachter schreef hier over: Bij onderzoek gebleken terwijl ik de woning binnen trad en zag aldaar, dat op de ijzeren plaat waarop het vuur was brandend, russchen te drogen lagen op twee decimeter afstand van’t vuur. Op mijne vraag waarom zij zulks deden, dat zij toch wel wisten dat zulks verboden was, gaven zij mij ten antwoord, dat zij dat wel wisten, maar dat zij daar geen kwaad in zagen. Ik heb de bedoelde russchen achter een op staande plaat die gloiyend heet was vandaan gehaald en in beslag genomen.
Ook in 1884 werd er door de gemeente veldwachter Jacobus Mosterd bekeurd, hij was net op 16 augustus 1883 aangesteld in Wilsum, en terwijl hij in de kom van Wilsum liep en een woning binnentrad zag hij “dat er russchen te drogen stonden op een houten stoof van circa een meter lang en een halve meter breed en is mij bij onderzoek gebleken dat er testen met vuur onder waren geplaatst. Ik heb de russchen in beslag genomen bestaande uit vier bos en hem de bekeuring aangezegd “

Als er op het land weinig meer te doen was, werd begonnen met het vlechten van de matten, dit was ongeveer in de maand oktober.
Voor het vlechten werd gebruik gemaakt van een matraam van ongeveer 2 meter hoog en 1,5 meter breed en stond meestal in de woonkamer.
De ramen waren in de loop van de tijd weinig veranderd, twee opstaande stijlen, een voetstuk, een dwarsligger van boven en een verbindingslat in het midden, alles uit hout, onder aan het raam was een rolboom aan het uiteinde van de rolboom een ijzeren cirkelplaat ‘ Krans’ genaamd, een aantal verticaal op het raam gespannen draden van dun touw noemde men ‘Schering’.
Het vlechten vond plaats door om beurten van links naar rechts of van rechts naar links een rus door de verticaal gespannen draden te vlechten, de matter haalde de rus, het dikke uiteinde tussen vinger en duim houdend, door de draden heen, terwijl de matter met ene hand vlocht, werd met de andere hand het dunne uiteinde van de vorige gevlochten rus, dat buiten de gespannen draden uitstak, stevig rondom de laatste twee of drie gespannen draden rond gewikkeld, iedere rus die door het raam gevlochten was, werd met een dwarsstok waardoor de draden heen liepen, de zogenaamde “slager” krachtig tegen het dik gevlochten deel van de mat gedrukt.
Wanneer men normaal werkte, dat wil zeggen 50 tot 60 uur in de week, en goede kwaliteit russen had, (gebruikte men slechte russen dan had men meer nodig voor één mat), kon men 1 mat per week maken.

Ook de diaconie van de Hervormde kerk heeft voor zich laten matten, als een soort van werk verschaffing werd in 1851 besloten tot aankoop van een huis, voor een bedrag van 646 gulden werd het huis van G. Domstorff gekocht, om er een mattenmakerij in te huis vestigen,
“ om de armen zodoende eene geschikte gelegenheid tot werk en verdienste te geven” om er een mattenmakerij in te huis vestigen, B. Uiterwijk werd vaste opzichter van de matten fabriek.

Gehoopt werd dat op deze manier de bedeelden eigen inkomsten kregen, zodat er minder uitgaven kwamen aan de armen. Zeker in het begin kwam deze hoop uit, in 1856 had de matterij als Uitgaven f 275, 55
Inkomsten f 260, 75
Bijleggen f 14, 80
Dit werd gezien als zeer voordelig gezien de enorme besparing van de diaconie kas.
In 1858 was Andries ten Lintel opzichter van de matterij en ging het nog goed met de matterij, echter in 1881 word de matterij afgeschaft.
Er werd van toen af aan russen aangekocht en geschonken aan de armen.
Zaterdags werden de matten in de kerk afgeleverd, uitgerold in de gang, en vervolgens op de zolder van de kerk bewaart.

Het laat zich raden dat de werkomstandigheden niet best waren, het matten gebeurde vaak in het enige vertrek dat in de woning aanwezig was, de zogenaamde “Heerd” deze ruimte diende zowel als werkplaats, woonvertrek en slaapvertrek. In het vertrek, waar de kachel brandde, de hele winterdag gewerkt werd, en s`avonds de lamp brandde, was het benauwd en vochtig.
De combinatie van werkplaats, woon- en slaapvertrek is ongetwijfeld één van de voornaamste redenen dat het sterfte cijfer hoog was.

In de gemeenten waar werd gemat (Genemuiden, Grafhorst, IJsselmuiden, Wilsum en Zalk en Veecaten), lag het sterfte percentage aanzienlijk hoger dan elders in Overijssel of Nederland.

Het aantal sterf gevallen per 1000 inwoners, met inbegrip van doodgeboren kinderen, gemiddeld per jaar in de periode 1875-1900 was:
Nederland……………………………….. 22,57
Overijssel………………………………..19,71
Genemuiden…………………………….. 25,22
Grafhorst…………………………………30,22
IJsselmuiden……………………………..23.60
Wilsum………………………………….. 31,26
Zalk en Veecaten…………………………23,62

Wilsum en Grafhorst hadden dus een hoog sterftecijfer.
De ziekte die in de matters gemeenten, onder de volwassen bevolking, het meeste aantal slachtoffers maakte, was de tuberculose, vooral de vrouwelijke bevolking werd getroffen.
Terwijl het gemiddelde aantal vrouwen boven de 14 jaar, die aan tuberculose overleden in Nederland 16,37 procent was, was het in Wilsum 38,26 procent.

1930.
Russchen die tegen het hek van de pastorietuin staan te drogen.