Wilsum in vrogger tied.

Overstromingen.

Wilsum is gelegen op een natuurlijke duinenrij die doorliep tot aan Grafhorst. Vanaf Uiterwijk stroomopwaarts bestond, tenminste vanaf het begin van de veertiende eeuw al een dijk, het maakte bij de tot standkoming van het dijkrecht van Salland in 1308 deel uit van de toenmalige IJsseldijk.

In 1330 begon Bisschop Jan van Arkel met de verdeling van Mastenbroek, en legde dijken aan, die in 1363 klaar waren.

 ( Wij hebben verhaelt op het jaer 1330 dat het Mastebroeck noch was onbedijckt ende onbeheert liggende voor een woeste gemeente,maer Bisschop Jan van Arckel achtede dat hier van meer soude genoten worden, ende dat hetselve Broeck beter soude worden gecultiveert, waeromme hij grote vlijt heeft angewent tot bedijckinge vant selve lant, het welck voltrocken is int jaer 1363.[1])

Door de hoge ligging op een duin, bleef de kern van het dorp, meestal het ergste bespaart, toch heeft Wilsum veel te verduren gehad van het water, zoals zal blijken uit het volgende.
Den 17 april , int jaer 1446, was een groot onweder van blixem ende wint, in Hollant, Zelant, Gelderlant, Over-ijssel ende andere lande , soodat die Mastenbroecker Dijck tussen Campen ende Wilsum doorbrack, die toren van Zutphen woeij af en verbrande, tot ( te ) Swolle raekten die vensteren van de kercke in brant op palmdag als de luden ( mensen) in de kercke waren.[2]

Int laetste des jaers 1502 was een tamelicke koude, ende duerde soo tot het leste van Februario 1503, maer omtrent S. Peter begon het soo te vriesen, dat men met wagenen en paerden over die IJssel ende andere stromen konde varen, ende duerde drie weecken, dat men met sleden over die zee voer.
Die koude was soo hart , dat die oeijvaers, die wederom op haer nesten gekomen waren, daer afvielen ende van koude doodt bleven, die wilde endtvogels waren alsoo verkout, dat mense met die hande konde vangen.[3]

Anno 1651.
Op Petri avond (29 juni) is er in onze stads dijk tusschen Grafhorst en de Lutersche dijk met een storm uit den noordwesten wel ongeveer 16 of 17 roeden dijks tot op de staal weggelopen, hetwelke onze stad van Wilsum merkelijke schade heeft gedaan en gekost wel tusschen de vier en vijf honderd guldendie uit onze stad domeinen ten volle zijn betaald.[4]

Anno 1775.
Den 14 november en volgende nacht is door een vreeselijke stormwind, uit den noordwesten en noorden het water hier zoo hoog gezwollen, als bij geen menschen geheugen gebeurd is, zijnde het zeewater over de dijken heengevloed en heeft verscheiden gaten in deszelve gescheurd of grotelijks beschadigd, in de vijftig menschen zijn hier omstreeks in de wateren versmoord, zeer veel beesten, peerden en verkens verdronken, verscheidende huizen weggespoeld, of zwaar beschadigd.
Beesten zijn hier komen aandrijven aan de dijk, die de stalpalen noch aan de halz hadden, kisten, kasten, huismans gereedschap, stukken van huizen zach men aan de dijken liggen.
Het water schielijk opkomend heeft de menschen op bedde ’s nachts overrompeld, op ’t Klein Oever zijn toen, alzoo de menschen er niet op verdacht waren, zelfs vijv beesten, twee verkens en een peerd verdronken.
Onze stad heeft toen veel schade gehad aan de zeedijk tusschen Grafhorst en de Lutersche Zijl, zijn deszelve meest op de staal weggelopen.[5] 

1776 den 20 november.
Had God ons in den verledenen jaarte met een zwaare overstrominge bezocht, op dato boven was zijn hand niet minder zwaar over ons, alzo het zeewater door een verschrikkelijke stormwind wederom onze dijken overstroomde, en aan stukken scheurde, noch hoger klom als in’t voorgaande jaar, en langer hoog is blijven staan, waardoor de dijken in’t vorige jaar hersteld, wederom geruineerd zijn, zijnde daarboven in de Plankendijk, tegenover de Nieuwstad, een grote doorbrake, en wade gekomen, uitbesteed om te maken, nadat er al een zeer goed beslag gemaakt was voor 1175 gulden, zijnde door Ridderschap en Steden voor onvermogend, en ook voor onze stad, die mede in die wade hadden, betaling gedaan, alsmede voor onze geruïneerde dijken bij Grafhorst. Vijf of zes en twintig menschen zijn in de watervloed omgekomen, en verscheidenden honderden van vee, zoo peerden beesten als verkens, zijnde de schade door deze watervloed veroorzaakt noch vrij meer en drukeender geweest als in’t vorige jaar terwijl de stervte onder’t vee toen ook toenam, en hier in Wilsum weinig of niets heeft overgelaten.[6]

1777.
Wierden wij wederom in november tot driemaal toe door stormwinden en hooge watervloeden gedreigd, klimmende het water toen op eenen dag weer zoo hoog dat het achter Campen over de Zwartendijk begon te lopen, dan door Gods goedheid zijn wij toen noch verschoond gebleven, en hebben aan de dijken weinig of geen schade gehad, schoon de vreeze wederom groot was, en elk bijna die in de laagte woonde, zijn goederen begon te pakken en met zijn beesten na de hoogte begon te vluchten.[7]                                      

Stormvloed in 1825.
Een samenloop van springtij en de hoge waterstand, een gevolg van zeer veel regen in de herfst van 1824, was de oorzaak van de stormvloed, (met een wind uit het westen met orkaankracht), die het gehele lage gebied in noordwest Overijssel onder water zette.
Schoon de dijk, in deze gemeente, niet zeer veel geleden had door den vloed van den 14de en 15den november 1824, bezweek hij echter op den 4den februari 1825, even ten noorden van Wilsum, op vijf plaatsen, en dat op den geringen afstand van omtrent eene Nederlandse mijl of 1000 ellen.
Reeds des morgens om 9 ure was de overloop van den dijk algemeen, waardoor dezelve, hoelanger zoo meer, verzwakt en het binnenland geïnundeerd werd. Om 11 uren bespeurde de Heer Burgemeester, P.H. van Lier[8], die een weinig boven Wilsum, eenen kistdam op een laag gedeelte van den dijk deed aanleggen, dat het binnenwater sterk rees, waaruit hij besloot, dat er reeds eene doorbraak moest bestaan,en in welk gevoelen hij versterkt werd, op het zien van eene noodvlag, op den hooiberg van Aalt van der Waa.
De Burgemeester deed terstond eene schuit naar binnen brengen en begaf zich, met den assessor W. Kloek en twee schippers, derwaarts.Aldaar gekomen zijnde, vond hij de meeste bewoners der omliggende huizen bijeen,welke daar hunne toevlugt, als tot het hoogst gelegene huis, genomen hadden,terwijl andere, die niet hadden kunnen vlugten, in den grootsten angst, op de zolders hunner woningen zaten.
Deze werden evenwel allen aan het gevaar onttrokken, behalve het ongelukkige huisgezin van Jan Rietberg, uit den man, de vrouw en eene dochter bestaande.[9]
Dit gezin had ook de toevlugt genomen tot den zolder, doch, onbestand tegen den aanval van eene verschrikkelijke massa waters, welke, door eene groote doorbraak, onmiddellijk op hetzelfde kwam aanstromen, bezweek het huis, de zolder en het dak geraakten aan het drijven, de vrouw en dochter werden eene prooi der golven, en de man alleen had het geluk, zich ternauwernood te redden, op eenen wilg, waar hij tegenaan was gedreven.
De Burgemeester deed hem, terstond na zijne aankomst, van daar afhalen, door drie schippers, namelijk Evert Visscher, Brand Bastiaan, en Wolter Pelkhof[10].
Deze onderneming was echter van geen gering gevaar vergezeld, daar zij zich voor eene doorbraak moesten begeven, en dus den storm moesten doorstaan, deshalve de drie gemelde personen zich in dezen zeer verdienstelijk hebben gedragen.
Behalve het hooggelegene stadje, dat nog aanmerkelijk boven het water verheven was, werd de geheele gemeente geïnundeerd, en toen het water, des namiddags te 4 of 5 uren, op het hoogste was, stond het in het laagste huis, namelijk dat van Hendrik ten Brinke, op Uiterwijk, ter hoogte van 2.07 en op de laagste landerijen 3.14 el.

Door dezen verschrikkelijke vloed spoelden 11 huizen geheel weg,terwijl er 5 gansch onbewoonbaar en 10 grootelijks beschadigd werden, 40 hoornbeesten en 4 paarden verdronken. Eene menigte meubelen, landmansgereedschappen, hooi. stroo, aardappelen enz. spoelden weg of bedierven, en vele bunders best groenland, werden of tot kolken weggespoeld, of diep onder het zand begraven.[11]

 

In Overijssel zouden in totaal 305 mensen, 13073 runderen, 525 paarden, 1571 schapen, 1058 varkens verdrinken.
In vijf provincies stond in totaal 337000 ha. onder water, er verdronken 400 mensen, en 46000 stuks vee.
Totale schade van de overstroming in 1825 bedroeg 29 miljoen gulden.

 

[1] Wilhelm Nagge 1678 Historie van Overijssel.
[2] Wilhelm Nagge 1678 Historie van Overijssel.
[3] Wilhelm Nagge 1678 Historie van Overijssel.
[4] Stadsregt van Wilsum, H.C.O. Zwolle
[5] Stadsregt van Wilsum, H.C.O.  Zwolle.
[6] Stadsregt van Wilsum, H.C.O.  Zwolle.
[7] Stadsregt van Wilsum, H.C.O.  Zwolle.
[8] Burgemeester Peter Hendrik van Lier, geboren in Staphorst op 28 maart 1784 was tevens
  schoolmeester, hij was getrouwd met Gaasje Berends Hofstede, hij overleed in Wilsum op
  29 april 1840, er zal nog een aparte aflevering volgen over de familie van Lier.
[9] De vrouw en dochter van Jan Rietberg die verdronken waren, Willempje Naberman, geboren
  op 5 april 1791 in Wilsum ( dochter van Jan Martens Naberman en Aaltje Willems van
  Dijk) en hun dochter Aaltje Rietberg geboren in Kamperveen in September 1814.
  Jan Rietberg van beroep daghuurder, werd in Wijhe geboren, op 8 oktober 1780, (zoon van
  Jan Rietberg en Janna Jans), hij hertrouwd in Wilsum op 5 mei 1826 met Hendrika Sijbrand
  uit  IJsselmuiden, die ook daar geboren is op 25 maart 1792.
  Jan Rietberg sterft in Wilsum op 12 januari 1854.
[10] Evert Visscher en Brand Bastiaan waren vissers van beroep, terwijl Wolter Pelkhof
    veerman was, ook over het veer zal nog een aparte aflevering gaan.
[11] Het aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden van 1845, door A.J. v/d Aa